|
©Vincent
Promes,
Vrije Universiteit,
Hersencentrum 2007
Kinderen en
jeugdigen met een
autisme spectrumstoornis.
Kinderen
en jeugdigen met een autisme spectrumstoornis (ASS) behoren volgens de
DSM-IV
classificatie tot de Pervasieve ontwikkelingsstoornissen:
- Stoornis van
Asperger
- Pervasieve
Ontwikkelingsstoornis Niet Anders Omschreven
- Stoornis van
Rett en Desintegratiestoornis
Volgens
de huidige stand van de wetenschap is ASS een aangeboren
informatieverwerkingsstoornis, die diep doordringt tot in alle facetten
van de
persoonlijke ontwikkeling, levenslang aanwezig blijft en zich uit door:
- stoornissen in
het sociale contact, met name in de kwaliteit van de sociale
wederkerigheid.
- stoornissen in
de verbale en non-verbale communicatie en in het verbeeldend vermogen.
- een opvallend
beperkt repertoire van interesses en activiteiten (Wenar, 2000).
De stoornis
manifesteert zich op
meerdere ontwikkelingsgebieden en leidt tot een disharmonisch
ontwikkelingsprofiel.
Het
hoofdkenmerk van ASS is de stoornis in het sociale contact, die zich
manifesteert op verschillende niveaus variërend van extreme
afzijdigheid in het
contact, passief afwachtend maar wel reageren op uitnodigend contact
van de
ander tot claimend en bizar, overslaand naar grenzeloosheid in contact
(active-but-odd) (Wing, 1996).
Zowel
het inzicht in wat anderen voelen en denken als het doorzien van
sociale
situaties is gestoord.
Sommige
personen spreken in het geheel niet, andere zijn misleidend
welbespraakt, met
alle mogelijke tussenvormen. Het blijft echter voornamelijk
eenrichtingsverkeer.
De
stoornis in het verbeeldend vermogen kan zich uiten in een totaal
gebrek aan
fantasie, maar ook in een teveel aan fantasie, waar het kind zich in
verliest.
Daarnaast
zijn er problemen in het reageren op interne en externe informatie.
Bij
veel kinderen is sprake van subtiele varianten van de problematiek.
ASS
kan per kind en per leeftijd verschillen in ernst en verschijningsvorm.
Prevalentie
20
Tot 25 op de 10.000 mensen; in Nederland ca. 35.000 mensen (Van
Berckelaar-Onnes & van der Gaag, 2004). 80 % van de mensen met
een ASS
heeft daarnaast een verstandelijke handicap in meer of in mindere mate
of
functioneert door de cognitieve stoornis beneden leeftijdsniveau.
Van
de vijf mensen / kinderen met ASS zijn vier van het mannelijk geslacht.
De
stoornis komt voor in alle sociaaleconomische klassen van de bevolking.
Publicaties
over een wereldwijde toename in de prevalentie van
autisme spectrum stoornissen (ASS) hebben de aandacht van onderzoekers
gericht
op de epidemiologie van ASS (Van Berckelaar-Onnes
& van der Gaag,
1999).
Oorzaken
van de stoornis
Er
bestaat nog discussie over de oorzaken van ASS. Wel zijn duidelijke
aanwijzingen
voor het bestaan van een erfelijke aanleg. Deze aanwijzingen komen uit
familie-
en tweelingenstudies (concordantie bij monozygoten 0.36–0.96,
concordantie bij dizygoten
0.0-0.24).
Een
erfelijke component is heel belangrijk bij het ontstaan van ASS, maar
ook
niet-erfelijke factoren kunnen een rol spelen.
Onderzoek
van ouders en familieleden van een kind met ASS levert eveneens op dat
er meer
verwanten met deze aandoening gevonden worden. Organische afwijkingen
als
oorzaak voor autisme leveren geen consistente specifieke bevindingen op.
Wel
bestaat er een duidelijke relatie met andere aandoeningen, zoals
chromosomale
afwijkingen (Fragiele-X syndroom, XYY, XXY, Smith-Magenis syndroom,
Down
syndroom), een aantal andere syndromen (problemen tijdens de
zwangerschap,
neurocutane aandoeningen, neurofibromatosis), een aantal syndromen in
engere
zin (Cornelia de Lange syndroom, Angelman syndroom) en metabole
stoornissen.
ASS
wordt dus soms gezien als een symptoom van vaak onderliggende
organische
problematiek. Op nationaal en internationaal niveau wordt momenteel
uitgebreid
onderzoek gedaan om het gen te achterhalen dat verantwoordelijk is (Van
Berckelaar-Onnes & van der Gaag, 1999).
Enkele
onderzoekers hebben autisme beschreven als een specifiek
aandachtsprobleem,
waarbij de link wordt gelegd met andere aandachtsproblemen als
‘attention
deficit and hyperactivity disorder’ (ADHD)&(ADD)
(http://www.mpccares.com/autism-neurofeedback-treatment.htm).
Er zou sprake zijn van een continuüm waarbij milde vormen van
ADD aan één kant
van het spectrum bestaan en ernstige vormen van autisme aan de andere
(http://www.mpccares.com/autism-neurofeedback-treatment.htm). Bij
Autisme en
Asperger syndroom worden net als bij ADHD, patronen gevonden van hoog
amplitude
en langzame EEG-activiteit op de centrale en frontale en prefrontale
gebieden
(Thompson & Thompson, 1999). Hoewel de link met ADHD/ADD
veelbelovend lijkt
zijn er nog betrekkelijk weinig onderzoeken die haar ondersteunen.
Eén van de
argumenten tegen deze theorie is dat middelen die effectief blijken te
zijn bij
de vermindering van ADHD symptomen (methylfenidaat, atx) niet effectief
blijken
te zijn bij behandeling van autisme. Onderzoek naar de effectiviteit
van methylfenidaat
bij autisten met ADHD wijst uit dat de ADHD problematiek verminderd,
maar dat
autistische trekken blijven en zelfs bijeffecten optreden (Handen,
Johnson
& Lubetsky, 2000). Therapie die gericht is op het verbeteren
van aandacht
zou dan ook voor deze groep kunnen worden benut.
|